Gewapend met schoonmaakmiddelen, emmers, sponzen en rubberhandschoenen, rijd ik met mijn oudste zus en neef naar Deventer. Omdat mijn moeder liever met haar huishoudelijke hulp kletst dan dat ze de mevrouw laat poetsen, begint haar huis gebruikssporen te vertonen. Strepen op de ramen zijn tot daar aan toe, maar strepen in de pot, daar houden wij niet van.

Mijn zus wappert lachend met een nieuw schoonmaakdoekje dat ze uit haar tas haalt. ‘Ik ben bang dat ma nog steeds schoonmaakt met afgedankte en versleten onderbroeken.’ ‘Ik weet het wel zeker,’ zeg ik en ik denk aan het waslijntje in de schuur waaraan de dweilen en lappen te drogen hangen na gedane arbeid. Boven de waslijn staan potten groene zeep, Vim en schoonmaakazijn op een plank. Maar straks zal haar hele huis ruiken naar de door mij meegebrachte Eucalyptus van Ajax.

We knuffelen mijn moeder, drinken koffie en schreeuwen in haar oor dat ze haar hoorapparaat in moet doen. Na een boterhammetje met een beker karnemelk gaan wij aan de slag en zij gaat een dutje doen. ‘Wat moet er allemaal gebeuren, mam?’
‘De ramen’, zegt ze beslist. ‘Die zijn zo lang niet gedaan. De hulp mag niet op een krukje staan.’ Ze haalt haar schouders op waarmee ze aangeeft dat ze het onzin vindt maar te oud is om zich over zulke futiliteiten druk te maken.

‘In de schuur ligt een Swepper,’ zegt ze. Die heeft de hulp meegebracht omdat ze niet van stofdoeken houdt.’ Weer dat schoudertje.
‘Een wat?’, vraagt Neef.
‘Een Swepper. Die haal je er zó overheen en het stof blijft eraan kleven. Heel handig hoor.’
‘Oh, een Swiffer’, zegt neef.
‘Een Swaffel!’ roep ik net iets harder. Zus, Neef en ik wisselen blikken en houden ons lachen in.
Mijn moeder kijkt vertwijfelt en haalt weer die broze schoudertjes op.

Mijn moeder kijkt vertwijfelt en haalt weer die broze schoudertjes op.
‘Ik dacht dat het Swepper was. Nou ja, Swaffel dus. Ik kan het ook niet allemaal onthouden. Neef, als jij nou eens de boekenkast swaffelt, dan kan Lotty de ramen lappen en Anne stofzuigen.’

Proestend van het lachen swaffelen, zuigen en soppen we het huis van mijn moeder. Als Zus de stofzuiger aanzet, gaan we kokhalzen van de stank die het huis in wordt geblazen via de achterkant van het apparaat. De stofzuigerzak puilt uit en de binnenkant van de slang is bekleed met aangekoekte smurrie. In de tuin spuit Zus de boel met een tuinslang door terwijl ik op mijn knietjes en in mijn onderbroek de keukenvloer schrob.

Neef is net klaar met grasmaaien als mijn moeder met slaperige oogjes naar beneden komt. Ze kijkt goedkeurend en dankbaar naar de glanzende ramen en de geswaffelde boeken. De geur van gemaaid gras vult de kamer.

‘Nu lust ik wel een kopje thee,’ zegt ze terwijl ze het hoorapparaat in haar oren frommelt en de koektrommel pakt. ‘Gezellig dat jullie er zijn.’

Share on FacebookShare on Google+Share on LinkedInTweet about this on TwitterBuffer this page