‘Zie het als iets positiefs,’ zegt mijn huisarts. ‘Als een ventieltje dat zorgt dat de druk er een beetje afgaat als je veel stress hebt of spannende dingen moet doen.’

Spannende dingen, die doe ik tegenwoordig. Ik loop er niet meer voor weg. Binnenkort moet ik voor het eerst driekwartier (!) spreken in het openbaar. ‘Het is niet eerlijk, ik heb al een ventieltje: in mijn schouders,’ piep ik. ‘Nu óók nog een overspannen blaas?’

Even later stap ik uit de apotheek met een doosje pillen die de boel tot rust moeten brengen. Pas op met alcohol en in het verkeer. Dat maak ik zelf nog wel uit, denk ik. ‘U kunt er ook een extreem droge mond van krijgen,’ zegt de mevrouw van de apotheek.
Dan drink ik toch een wijntje extra, denk ik.

De volgende ochtend neem ik mijn eerste pil voordat ik een flinke wandeling in de polder maak. ‘ s Middags stappen mijn zoon en ik in de auto voor een rondje Nederland. Eerst naar oma in Deventer en daarna naar mijn zus in Wijchen. Ik gooi nog een extra flesje water in de auto want ik heb al enorm dorst.

Op de snelweg merk ik meteen dat ik een slaperig gevoel heb. Alsof iemand me middenin de nacht heeft wakker gemaakt en achter het stuur heeft gezet. Mijn tong voelt als schuurpapier maar het lukt me niet om te rijden en tegelijkertijd het dopje van de fles te draaien. Te veel dingen tegelijkertijd. Als mijn zoon dan ook nog zijn muziek keihard door de stem van TomTom opzet, denk ik dat ik gek word. Omdraaien en terug naar huis? Nee, het gaat vast zo over.

Ik zeg niets en rijd dapper door. Nu mijn zoon oortjes in heeft en me iedere keer als ik hem een stoot met mijn ellenboog geef, het flesje water aanreikt, weet ik dat het goed komt.

Pas in de middag als ik met mijn zus, haar zoon en de mijne door Nijmegen tour, vind ik het weer extreem moeilijk. Het geklets in de auto. Mijn zus die me de weg wil wijzen maar alleen de weg op de fiets weet of met de bus omdat ze geen auto rijdt; het leidt tot chaotische last minute verkeersbeslissingen die me hier en daar een boze middelvinger opleveren. Opletten, zeg ik tegen mezelf. Maar ik zeg niks over die pillen die niet alleen mijn ventiel lam hebben gelegd.

Op de parkeerplaats wacht ik totdat iedereen is ingestapt en geef gas. ‘Au, au au!’ kermt en schreeuwt mijn neef vanaf de achterbank. ‘Je rijdt over mijn voet!’ Mijn hersenen kraken koortsachtig wat ik moet doen. Een stukje achteruit rijden met het risico dat ik dan wéér over zijn voet rijd? Vooruit rijden, met het risico dat zijn been wordt verpulverd?
‘Wat moet ik doen?’ gil ik. Maar hij heeft zijn lange been al in veiligheid gesteld en na een lichamelijke inspectie rij ik heel voorzichtig verder.

Bij de eerst volgende pomp die ik zie, ga ik tanken. Ik sta nog een beetje bij te komen van de schrik als ik de Diesel kies en het pistool inknijp. ‘De gewone Diesel vindt u bij pomp 2,4 en 6’, lees ik. Hoeveel seconden duurde het voordat ik a) het pompnummer had gecontroleerd waar ik stond, b) me realiseerde dat ik geen Diesel maar benzine aan het tanken was en c) stopte met tanken?

Om precies te zijn 4 liter lang. Dat is niet veel, maar genoeg om de ANWB te moeten bellen en je tank volledig leeg te moeten laten pompen om zonder schade je motor te kunnen starten. Tijdens het wachten heb ik 3 flesjes water gedronken, begon ik me weer wat frisser te voelen en kon ik iedereen weer veilig naar huis brengen. Die pillen heb ik nooit meer geslikt.

Over een uur sta ik daar, te Spreken In Het Openbaar. Ik hoop dat de mensen van Hub88 er begrip voor hebben als ik halverwege mijn verhaal éventjes naar de wc moet.

Share on FacebookShare on Google+Share on LinkedInTweet about this on TwitterBuffer this page